10.11.2003 Aberdeen

Als we Aberdeen naderen zie ik vanuit het vliegtuigraampje glooiende groene velden, roestbruine bomen en heel veel schapen. De derde stad van Schotland ligt in een landelijke omgeving. Eerder tijdens de vlucht vroeg ik één van de AirUK-stewardessen wat ze vond van haar woonplaats, waarop ze verzuchtte dat het bepaald geen Amsterdam was. Ik laat me hierdoor niet uit het veld slaan - iedere nieuwe stad is tenslotte interessant, nietwaar?

Huiverend in mijn pakje sta ik in druilerig weer voor het luchthavengebouwtje op vervoer te wachten. Men lijkt mij niet te verwachten. Na wat heen-en-weer-geloop tussen kastje en muur wordt geregeld dat een hotelbusje mij komt oppikken. In het busje word ik vergezeld door twee zeer Britse piloten, die mij ongevraagd laten weten dat ik voor vertier in ieder geval niet in het hotel moet zijn.

Als ik aan de receptie sta in te checken komt een mij onbekende Nederlandse man met uitgestoken hand naar me toelopen. Piloot J. blijkt deel uit te maken van de bemanning met wie ik morgenochtend terug zal vliegen. De rest van de bemanning is er ‘s ochtends al op uitgetrokken met een huurauto, hij staat net op het punt om de stad in te gaan. Of ik mee wil, over een half uur vertrekt de trein. Ik haast me naar mijn kamer, schiet snel iets anders aan en dan gaan we half lopend, half rennend naar het station. Als we halverwege zijn realiseer ik me dat ik geen camera bij me heb.

Station is overigens een groot woord voor de twee hokjes die aan weerszijden van de rails staan. We zijn nog net op tijd, maar hoe komen we aan kaartjes? Gewoon instappen, zegt een behulpzame jonge Schot die ook op de trein naar het centrum staat te wachten. Het is vier uur ‘s middags, en reeds aardedonker.

Ietwat ontgoocheld staan we na een korte wandeling door Aberdeen al weer buiten het centrum. Op een paar fraaie gebouwen na lijkt er in de stad niet bijster veel te beleven. J. koopt een paar stevige stappers in een winkel waar de tijd lijkt te hebben stilgestaan (“hier zou ik al mijn kleren wel kunnen kopen!”, laat hij enthousiast weten) en daarna kunnen we zo snel niets anders bedenken dan maar op zoek te gaan naar een restaurant voor het avondeten.

Het wordt Soprano’s, een Italiaans restaurant aan de winkelstraat. Daar we verzuimd hebben te reserveren worden we in een donker hoekje vlakbij de keuken neergezet. En nee, we blijven niet langer dan een uur, zo beloven we. Begeleid door de klanken van Kenny G. werken we allebei een bremzoute risotto ai frutti di mare en een glas huiswijn weg, J. met iets meer overtuiging dan ik. Onwillekeurig moet ik denken aan het Engelse programma Would like to meet. Op de romantiek na komt het op het zelfde neer: met een volslagen vreemde een gesprek gaande houden bij een etentje. Ik stel me even voor hoe het er uit zou zien als dit gefilmd werd. Wel een lieverd, die J.

Als we bij het station aankomen blijkt de trein die we hadden willen nemen zonder reden te zijn geschrapt (heus, de NS is zo gek nog niet), terwijl een uur later pas de volgende gaat. De bus dan maar. J. is zo iemand die meteen gaat vragen hoe en wat, en zo komen we te weten dat er één op het punt staat te vertrekken. Tijdens de rit zitten we moe en zwijgend naast elkaar. Terug in mijn hotelkamer kijk ik nog even naar de Engelse versie van Idols - de deelnemers, dikke meisjes en piepjonge jongens, moeten elk een nummer van Elton John zingen. Dan doe ik het licht uit om te gaan slapen.

De volgende dag gaat om 4 uur de wekker. Ditmaal voor een echte werkdag.

anneke | 20:29 | plaatsen
1 reactie  »

Van alles wat ik van Schotland heb gezien, vond ik Aberdeen het minste. Koud en nat en winderig. Onpersoonlijker dan de andere steden.
Glasgow, daar moet je zijn :-)

Merel - 11.11.2003 - 07:41
reageer







onthoud mij:






Alle HTML-tags behalve <a href>, <b>, <i>, <strong>, en <em> worden uit je commentaar gestript. Je e-mail adres wordt nooit gepubliceerd.